De bajonet/Seitengewehr

Bij de Reserve werden veel modellen bajonetten uitgegeven. In principe zijn veel modellen dus correct zolang ze op het meegevoerde wapen passen.
De ge-eigende bajonet voor de Mauser in 1914 was de 98, de Federbajonett. Lang en smal en moeilijk te vinden. Makkelijker te vinden is de zg. Ersatzbajonet, een stevige, geheel uit metaal vervaardigde bajonet in stalen schede. Ook de 84/98 (modell I) was vrij algemeen. Grote populariteit verkreeg de 98/05, bijgenaamd ‘butcher’, van oorsprong een artilleriebajonet.
Waren schedes in het begin nog van leer, snel werd dat metaal. In eerste instantie nog zwartgelakt, halverwege de oorlog steeds vaker feldgrau.
Let bij keuze van je bajonet op de originaliteit. Op de rug van het lemmet staan over het algemeen een gekroonde letter en de laatste twee cijfers van het jaar van aanmaak. Bajonetten met een WaA-nummer (WO-II) zijn niet toegestaan.

Troddel (Sabelkwast)
Een kleurige kwast aan een katoenen band. RIR119 beeldt de tweede compagnie uit, neem dus een troddel van deze compagnie: rood-wit-rood. Let er op dat de band niet van keperstof mag zijn!
Latere troddels, vanaf ongeveer zomer 1915, werden vervaardigd uit restmaterialen. De band was groengrijs, evenals de haren van de kwast. De troddel was tot in 1917 verplicht, daarna kwam de aanwijzing: "wie er eentje heeft moet 'm dragen, wie er niet een heeft, tja...".

Troddel 2. Kompanie

Vecht- en loopgraafmessen
Per compagnie was in een klein aantal Naehkampfmesser voorzien. Al snel zorgde elke soldaat dat hij, particulier aangeschaft, een dergelijk wapen bij zich had. Algemeen verkrijgbaar waren de Gottlieb Hammersfar-messen en de kleine DEMAG-vuistbajonet. In replica goed verkrijgbaar en toegestaan vanaf de zomer van 1915. Ook verkorte bajonetten van allerlei slag waren te vinden bij de manschappen.


Vechtmes uit een 'verbouwde' bajonet

Pioniersgereedschap

Veldschep met drager
Aan de Reserve werden alle op dat moment voorhanden zijnde veldschepjes uitgereikt zoals die vanaf 1889 in gebruik waren. Ze werden gedragen in een leren foudraal met twee lussen, om aan de koppel te hangen. De schede van de bajonet werd door de gevestriem gestoken terwijl de bajonetdrager met de lus tussen de twee lussen van de veldschepdrager zat.

Bijlpik in drager
Per infanteriegroep was een man uitgerust met een bijlpik i.p.v. een veldschop. De leren drager werd op dezelfde wijze en plaats gedragen als de veldschop. De schede van de bajonet wordt dan door de lus van de bijlpikdrager gestoken.