Geschiedenis Den Vijand

Enkele kernleden van de werkgroep DV waren reeds sinds 1999 actief lid van het Engelse FJR6, een groep die zich richtte op het uitbeelden van soldaten van het 6e Fallschirmjäger Regiment. De afstand bleef echter een belemmerende factor om de hobby te beleven. In 2003 diende zich de eerste gelegenheid in eigen land aan om op bescheiden schaal uit te pakken tijdens een evenement in het Archeon, waarbij zowel parachutisten als piloten uitgebeeld werden. Doel was toen om een scène uit de film Sprung in den Feind uit te beelden, welke door de Duitsers in juni 1940 opgenomen is en die de inval in Nederland door de luchtlandingstroepen als onderwerp had. Tweede element was een kleine display van enkele piloten in afwachting van een ‘scramble’. Deze eerste kennismaking van het Nederlandse publiek met het thema Duitse Luftwaffe verliep zeer goed en nodigde uit tot een vervolg.

Dat vervolg vond in 2004 plaats toen bij het Fort aan den Hoek van Holland op 13 mei de evacuatie van het Kabinet De Geer en de Koningin herdacht werd. Den Vijand was met een kleine maar slagvaardige groep aanwezig. De hele actie werd treffend voorzien van commentaar en geluidseffecten om deze nagespeelde historische gebeurtenis voor het publiek tot een samenhangend en begrijpelijk geheel te maken. Het evenement verliep in amicale sfeer onder het toeziend oog van tal van hoogwaardigheidsbekleders, waaronder een afvaardiging van de Koninklijke Luchtmacht.
 

In september 2004 vond te Genk het evenement Black Earth plaats, waar Den Vijand als onderdeel van een Duitse troepenmacht deelnam aan gevechtsacties voor het ruim 10.000- koppige publiek. De oprukkende Geallieerden liepen bij deze actie de Duitsers onder de voet, vanzelfsprekend pas na hevig verzet. Achtergrond voor dit evenement vormde een oude mijnbouwonderneming, waarbij met name het vervallen liftgebouw een passend verdedigingswerk voor de Duitsers bleek. Naast de aanwezigheid van ruim honderd re-enactors, enkele voertuigen en zelfs Amerikaanse tanks leverde met name het gebruik van film-explosieven spectaculaire taferelen op. Op Youtube zijn hiervan enkele fimpjes te vinden.
 
Recenter leverde Den Vijand in mei 2007 een belangrijke bijdrage aan de uitrol van een nieuwe aanwinst voor het Nationaal Luchtvaartmuseum Aviodrome te Lelystad. Het museum kocht een 3-motorige Juncker 52 aan, het voornaamste transportvliegtuig van de duitsers gedurende de Tweede Wereldoorlog en tevens het standaardvliegtuig voor parachutisten. De onthulling van het vliegtuig uit de voor de gelegenheid geheel met rook gevulde hangar was een prachtig gezicht en de verzamelde pers benutte de kans om leden van Den Vijand te interviewen maar wat graag. Ons bood het tegelijk een uitgelezen kans om foto’s van parachutisten bij en in het toestel te maken. Voor het ensceneren van oude foto’s is binnen de werkgroep een levendige plaats ingeruimd.
 

Op het Open monumenten weekend van september 2007 was Den Vijand present als gast van de Vereniging Historische Militaria ( www.livinghistory.nl ) om wederom de evacuatie van Kabinet en Koningin na te spelen. De samenwerking beviel zo goed dat Den vijand inmiddels als werkgroep is toegetreden tot de Vereniging Historische Militaria .

Beeldmateriaal
Het gefilmde materiaal evenals nieuwsuitzendingen over bovengenoemde evenementen zijn op Youtube geplaatst en kunnen met  de zoekterm Den Vijand gevonden worden. Ook op de site www.Dordtopenstad.nl kan onder het kopje Beeldmateriaal en vervolgens onder Verbeeldend stadsverleden 2007 fotomateriaal van dit specifieke evenement gevonden worden.

Op 28 juni 1914 wordt de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand in Sarajevo vermoord door de Bosnisch-servische activist Prinzip. Een maand later, op 28 juli, verklaart de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie Servië de oorlog. In hoog tempo volgen de oorlogsverklaringen van de sympatisanten elkaar op en voordat de Europese wereld het beseft bevindt zij zich in een militair treffen dat zijn weerga in die dagen niet kent.
Op 4 augustus trekt Duitsland België binnen om zo uitvoering te geven aan het (enigszins gewijzigde) Plan von Schlieffen. Frankrijk moet uitgeschakeld worden voordat Rusland militair gevaarlijk kan worden.

België laat zich niet zomaar op de knieën dwingen. Nadat met fors geweld de forten bij Luik en het Maasleger zijn verslagen wordt Antwerpen aan een zwaar bombardement onderworpen. Het Belgische leger trekt zich terug achter het riviertje de IJzer, waar zij zich gedekt voelt door de inundaties. Duitsland loopt hier vast. De opmars door Frankrijk stopt nadat bij de Marne zwaar slag wordt geleverd met het Franse leger. De partijen graven zich in. In november 1914 staat de bewegingsoorlog zo goed als stil. Door heel Europa loopt een smalle gordel van loopgraven, versterkingen en prikkeldraad. De loopgravenoorlog en daarmee de Grote Europese oorlog (1914-1945) is begonnen.



Bij aanvang van de oorlog waren veel legers nog gekleed en uitgerust conform de gewoonten van rond 1890. De drachten waren voornamelijk donkerblauw, echte helmen bestonden niet, de meeste geweren waren van Duitse (Mauser) of Oostenrijkse bouw (Steyr Mannlicher) van midden jaren negentig. De mitrailleurs waren in de legers in speciale eenheden ondergebracht. Ruiterij werd als serieuze gevechtspartner beschouwd. Tanks of bepantserde gevechtswagens (mechanisatie) was niet aan de orde. Het geschut was voornamelijk lomp en zwaar.
 
Het Duitse leger ging gekleed in een veldgrijze tuniek (M1907 en M1913 Landsturmschnitt), waarmee zij met Nederland één van de eersten was in West-Europa (beide landen 1912). De jas en broek waren voor de infanterie met rode biezen verluchtigd en de jassen waren getailleerd. Veel sierlijke knoopjes maakten de uniform tot een 'zondags pak'. De soldaten droegen een uit zwart leer geperste helm met een koperen punt en een groot koperblikken embleem. Daarover een overtrekje met grote rode cijfers waarop het regimentsnummer was te lezen. Verder droeg de soldaat bruinlederen goed als patroontassen, koppel, laarzen en riemenstel. Een geweer Mauser met een lange bajonet en een ransel ('Tornister') completeerden het geheel.

 

 

In de loop van de oorlog werd de tuniek drastisch vereenvoudigd. De redenen laten zich raden: gebrek aan materialen (mede door de boycot van Duitsland) en verandering van oorlogvoering zijn de belangrijksten. Extra uitrusting komt erbij: vele soorten gereedschappen om loopgraven en dekkingen nog beter te maken, gasmaskers wegens de vanaf april 1915 ingezette gasmiddelen, een stalen helm, kortere geweren en bajonetten wegens de loopgraafgevechten etc.
 
Het eerste conflict van de Grote europese oorlog eindigt formeel met de capitulatie van 11 november 1918. Vanaf dat moment beginnen de voorbereidingen voor het tweede grote treffen dat 21 jaar later zou starten.


 


 

RIR119, Living history 

De groep Duits 1914-1918 binnen de VHM is klein. De inzet van de leden is vooral bij de buitenlandse WO-1 evenementen, waar living history WO-1 meer bekend is. De groep oriënteert zich in eerste instantie op de infanterist van het Westfront. Alle perioden komen daarbij in beschouwing: de vroege periode waarin de bruinlederen uitrusting en de Tuniek M1907/1913 het beeld bepaalt, maar ook de latere periode van de grauwe dracht van de Bluse M1915, de gasmaskers, stalen helmen en Gamaschen (beenwindsels) i.p.v. laarzen. Op deze wijze is de groep in staat een volledig beeld te tonen van het "Frontschwein" van het westfront. De groep onderhoudt nauwe banden met Duitse LH-groepen. Op deze wijze vindt een gedurende uitwisseling van kennis plaats. De kwaliteitseis is hoog bij de groep.

Deelnemen aan RIR119?

RIR119 is een groep die bestaat uit leden van de VHM, die hun hoofdactiviteit bij een van de andere groepen hebben. Lid worden van de VHM kan vooralsnog niet op grond van deelname aan deze groep alleen.

Een leger in constante oorlog verandert in hoog tempo haar uitrustingen. Zo ook het Duitse leger. Zij leerde snel wat een soldaat echt nodig had aan het front en wat kon vervallen. Ook de strijdtechnieken ontwikkelden zich in rap tempo. Daarnaast speelde in WO-1 mee dat Duitsland in een wereldwijde boycot zat; veel materialen waren op een gegeven moment gewoonweg niet meer voorhanden. Er werd dus door de Duitse oorlogsindustrie naarstig naar oplossingen gezocht voor metaal, leer, stof etc.

Dit resulteerde in een snelle ontwikkeling in uniform en bewapening. Dat heeft gevolg voor degene die een Duits soldaat aan het Westfront op de juiste wijze gestalte wil geven. Gasmaskerblikken en stalen helmen werden in 1914 niet gedragen, vanaf 1916 was er geen soldaat meer zonder! Alle koperen en aluminium  voorwerpen en andere voor de wapenindustrie onontbeerlijke metalen, moesten worden ingeleverd en vervangen door 'ersatz'materiaal: ijzerblik en zink. Zo versoberde het beeld van de soldaat snel.

Het is ondoenlijk om van alle periodes de complete uitrusting binnen korte tijd in huis te hebben; richt je dus op 1 periode. Verzamel informatie en vooral tips om het juiste aan te schaffen. Zoals bij de meeste richtingen in de living history wemelt het van de onzinverhalen over uitrustingsstukken op de verkoopsites, er wordt te snel teveel betaald voor een onjuist artikel. Gelukkig is er binnen de groep voldoende expertise om een miskoop te voorkomen.

Deelname aan de groep betekent dat je een reservist uit Zuidduitsland uitbeeldt. Vanwege de presentatie streven we ernaar de groep uit 1 eenheid te laten komen: de 2e Kompanie van het 119e Reserve Infanterieregiment. De correcte Achselklappen (schouderstukken) worden via de groep bekomen, de veldmuts en leren helm dragen de Kokarden van Wuerttemberg en ook het koppelslot is herkenbaar als zodanig. Tenslotte wordt de rood-wit-rode Sabeltroddel gedragen.

Meer weten? Contactpersoon:

Erik de Bruin, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 


 AGENDA

Waar is RIR119 te zien?

Helaas is het uitbeelden van WO-1 gerelateerde eenheden in Nederland niet zo algemeen. Logisch, het oorlogsgeweld van de loopgraven en het gas was in Nederland tijdens deze oorlog niet aan de orde gelukkig! De groep is in het binnenland dan ook niet zo vaak 'op de mat'.

In 2017 zijn we aanwezig bij de volgende evenementen:

26-28 mei zal RIR119 als mede-organisator van het WO-1 evenement te Huis Doorn aanwezig zijn. De uitbeelding is gericht op 1916.

10-12 september draait RIR119 de wacht aan de Dodendraad, de Belgisch-Nederlandse grensversperring tijdens de eerste wereldoorlog. RIR119 levert de Duitse wachthebbenden in Achelse Kluis in Brabant (Hamont-Achel)

Op 30 september en 1 oktober is de groep te vinden in de Dodengangen bij Diksmuide in België. We bezetten daar de Duitse bunker en geven graag uitleg over de geschiedenis van zowel de Belgische stellingen als de Duitse bunker!

In het weekeinde van 20-22 oktober zal de groep, samen met andere WO-1 Duitse groepen, een garnizoensweekeinde beleven op het landgoed Huis Doorn.

 

 

 

 



Korte geschiedenis RIR119

 

RIR119 werd op 2 augustus 1914 samengesteld uit reservisten uit vier regio's in het koninkrijk Wuerttemberg. Het eerste bataljon (de eerste vier compagnieen) kwamen uit het Landwehrdistrict Calw, het vijfde tot en met achtste compagnie uit het district Rottweil en de negende tot en met twaalfde compagnie uit Reutlingen. De mitrailleurcompagnie en de staf werden in Stuttgart, de hoofdstad, betrokken. Het reserveregiment werd opgezet door het 'staande' 119 Grenadier Regiment 'Koenigin Olga'. Ondanks dat droegen de reservisten niet de uniformkenmerken van de Grenadiers.
Veel reservisten hadden hun dienstplichttijd (van hun 20e t/m 23e) bij GR 119 doorgebracht. Een reservist was zes jaar na zijn dienstplicht reserveplichtig. De meeste soldaten waren dan ook mannen van in de twintig. Gedurende de oorlog stroomden echter ook veel Landwehrmannen en ook jongeren in bij RIR119.

Veel tijd om te oefenen was er niet; een week na oprichting vertrok het regiment naar de uitvalsgebieden in Baden om van daaruit via de Vogesen (waar de eerste gevechten plaatsvonden) naar de omgeving van Cambrai te gaan. Daar kwamen ze in de laatste week van september aan. De marsformatie werd hersteld en de opmars naar Bapaume ingezet. Dit slaperige stadje viel al op de tweede dag van de opmars waarna 119RIR vastliep op Ovillers, een dorpje een aantal kilometers west van Bapaume. Hier groef het regiment zich in (tot aan st. Pierre Divion). Verbitterde gevechten tegen de Fransen volgden in  de maanden erop, met name in december zijn veel zware franse aanvallen afgeslagen. De natuurlijke grens werd gevormd door de Ancre, een zijriviertje van de Somme. De brede oevers van dit riviertje kenmerken zich tot op de dag van vandaag als een moerassig gebied met veel visvijvers.

De gevechten gingen onafgebroken door tot maart 1915. Met name rond de 'Granathof' in la Boiselle is zwaar gevochten. In maart werden de posities van RIR119 overgenomen door zusterregiment RIR120. Het regiment ging voor rust, recuperatie en oefening te ruste in de omgeving Bapaume.

Na deze periode die tot mei duurde, betrok het regiment de stellingen iets meer noordelijk van haar oude stellinggebied: de sector waarin de dorpjes Beaumont, Beaumont Hamel en het oord Serre lagen Met name in de laatstgenoemde plaats, waar een vooruitgeschoven versterking lag (Heidenkopf) is hard gevochten (eerste helft juni 1915).
Het regiment heeft doorlopend in deze sector geacteerd. Stellingen werden steeds zwaarder uitgevoerd, rustende eenheden moesten 's nachts terug om 'Grabendienst' uit te voeren: herstellen van kapotgeschoten stellingen en het graven van nieuwe loopgraven en onderkomens. Die laatsten werden diep in de kalkbodem gegraven. Tot het moment dat de grote engelse aanval begon zijn de stellingen verzwaard. Midden 1916 bestonden ze uit drie linies van elk drie loopgraven, met 500 meter tussen de linies.

Op 1 juli 1916 begon de zwaarste aanval, na een artillerie- en gasbombardement van 6 dagen. De loopgraven waren bijna ge-egaliseerd en bij de 9e Kompanie sloeg een mijnexplosie een gat in de linies (die overigens snel gedicht werd omdat de engelsen te laat in de krater waren). Tot de eerste week van september vocht het regiment tegen de engelsen in de sector, daarna ging ze voor rust en recuperatie uit het gevecht (omgeving Inchy) Bij terugkeer bleef het regiment in dezelfde omgeving vechten: Mireaumont, Thiepval, Courcelette, later zuid van Albert.

1917 kenmerkt zich door gevechten in de Siegfriedlinie en daarna, in april, de gevechten rond Arras. Tot midden augustus werd in Noordfrankrijk in stelling gevochten, daarna verplaatste het regiment zich naar Belgie om deel uit te maken van de 'Gruppe Wijtschate' van het 4e leger. De derde slag om Ieper ontvouwde zich op dat moment. De rest van het jaar vocht het regiment bij de Steenbeek, Houthulsterbos en Yzerkanaal om dan langzaam op te schuiven richting Dixmuide.

1918 was het jaar van het grote tegenoffensief. Na een oefenperiode op het gebied Waas-Muenster trok het regiment opnieuw Frankrijk in en ging mars richting de Somme. Daar is in een beweeglijke oorlog gevochten tot net regiment zich in oktober langzaam terugtrok richting Belgische grens.

In november staat de oorlog ineens stil. Het regiment verkocht z'n materieel en ging via de Eifel huiswaarts. Midden december kwam het regiment aan in Stuttgart waar zij demobiliseerde.

 

 


 

 

Wass kann mann haben, wass muss mann haben.

De groep RIR119 laat een algemeen beeld van de Duitse soldaat aan het Westfront zien. Dat houdt in dat uitzonderingen liever niet getoond worden. Ook afwijkingen in uniform en uitrusting worden alleen dan toegestaan als het betreffende stuk essentieel is en niet in de originele vorm verkrijgbaar is.
Deze lijst is zeker niet compleet. Het is de lijst van kleding en uitrusting zoals gebruikt binnen de groep RIR119. Voor een totaaloverzicht aan kleding en uitrusting wende men zich tot de boeken van dhr. Juergen Kraus van het Bayerisch Armee Museum te Muenchen.

Bekleidung

Jas M.1913 Landsturmschnitt.

Deze jas werd in grote getale voor de eenheden gefabriceerd en leek uiterlijk sterk op de jas M.1907. Het is ook de jas die het meest op verkoopsites wordt aangeboden. Let bij de aankoop op de volgende zaken:
- de punten aan de kraag zijn eerder rond dan puntig;
- rode biezen;
- knopen met keizerlijke kroon en een rand.
Opgelet: vanaf begin 1915 werden geen koperen knopen meer verstrekt, de soldaten moesten ze ook inleveren. Daarvoor kwam een knoop in een goedkoper metaal die met een bronsverf was bestreken en daardoor een gepatineerd uiterlijk kreeg.
In de handel zijn vrijwel altijd de koperen knopen uit 1914 meegeleverd. Die moet je dus kleuren.

RIR119 droeg naast de Brandenburger opslagen met drie knopen ook vaak de Zweedse opslag, met twee naast elkaar geplaatste knopen. Beide vormen zijn toegestaan, ze kwamen ook naast elkaar voor in de Wuerttemberger Reserveregimenten.
De jas kan door de gehele periode (1914-1918) gedragen worden.

Broek M.1907

Een lange feldgraue broek in Tuch (groffe wollen stof), al dan niet met rode bies langs de zoom. De broek sleet snel en werd dan vervangen door een steengrijze broek, weer al of niet met rode bies. De feldgraue broek werd op een gegeven moment bestemd als 'Friendensanzug' terwijl de grijze broek het meest in het veld voorkwam.
Beide kleuren worden toegestaan binnen de groep. Ze kunnen door de gehele periode worden gedragen.

Bluse M.1915

Een zeer vereenvoudigde jas, ontdaan van versierselen, met als voornaamste kenmerken:
- een resedagroene kraag (let op dat je geen dennengroene koopt, de Wehrmacht droeg die wel);
- de hoge opgeklapte manchetten zitten op slechts 1 punt aan de mouw vastgenaaid: aan de achterzijde. Er bestaan replica's waarvan de manchetten 'dichtgenaaid' zijn: niet goed en ook niet toegestaan.
- zes benen of parlemoeren knopen achter een verdekte lijst;
- matte knopen aan de zakken, op de schouders en als koppeldragers op de rug. Deze knopen staan wat hoger dan het voorgaande model, hebben geen rand en dragen de keizerlijke kroon.
- de toegepaste epauletten zijn van het model vanaf januari 1916: feldgrau met witte rand, het cijfer'119' met enkele kettingsteek aangebracht. Epauletten waren in de zoom ingenaaid of door de soldaten provisorisch aangebracht met naald en draad.

De Bluse werd verstrekt vanaf eind 1915 en werd gedragen tot einde van de oorlog.

Halsbinde

Een reep stof, bedoeld om de Tuch van de kraag tegen bevuiling van de nek te beschermen. Halsbinden zijn in repro goed verkrijgbaar. Opgelet: verplicht item!

Mantel M.1908

Een grijze dunne mantel die bedoeld was als regenkleding. In de loop van 1915 werd de jas steeds meer gevoerd, eerst de armen, daarna ook het bovenlichaam. Een belangrijk kenmerk aan de jas zijn de grote rode rechthoekige patten op de kraag. Deze werden in de loop van 1915 echter massaal verwijderd. De jas is tot nu toe niet in de handel maar wordt wel op bestelling gemaakt.
Toegestaan tot eind 1915.

Einheitsmantel M.1915

Een gevoerde, feldgraue mantel voor manschappen en onderofficieren. Verstrekking vanaf de zomer 1915 en gedragen tot het eind. Epauletten precies als Bluse M.1915. De kleur van de kraag is gelijk aan die van de Bluse (resedagroen, GEEN dennengroen!). Knopen aan de mantel zijn als die van de Bluse: metaal met de keizerskroon en zonder rand.
Toegestaan vanaf eind 1915.

Feldmuetze M.1907, Einheitsmuetze M.1917

Een rond mutsje van feldgraue Tuch met een drie cm hoge rode rand. De voering van linnen of grauw katoen zit er met de hand aan de rand vastgenaaid in. Bijalle replica's geldt dat je het vastgenaaide binnenwerk moet verwijderen en vervangen door een 'losse' voering.
De Feldmuetze draagt twee zg. Kokarden: kleurige knopen van ongeveer 20 mm breed. De bovenste Kokarden in de kleuren van het Keizerrijk (Pruisen), de knoop op de rode band in de kleuren van koninkrijk Wuerttemberg: zwart-rood-zwart.
Al snel wordt de rode band afgedekt door een drie cm brede feldgraue band, de zg. Verdeckband. Deze is dan ook verplicht bij verbeeldingen vanaf begin 1915.
De Feldmuetze M.1907 wordt in 1917 vervangen door een gelijkvormig exemplaar, maar dan met resedagroene band. De Verdeckband komt dan te vervallen. De reeds uitgereikte M.1907s worden gewoon doorgedragen.
De veldmuts was zeer populair en werd vrijwel altijd gedragen. De mannen spraken overigens niet over een veldmuts, maar over 'Kraetzchen' (luisje).

 


 

 

Leergoed algemeen

Alle leergoed, in opslag voor mobilisatie, was ongeverfd. Dit gold voor zowel uitrustingsstukken als schoeisel. Met de order van het hoofdkwartier van 21 augustus 1915 werd alle leerwerk gezwart.
Gemobiliseerde eenheden, zoals RIR119, ontvingen pas bij opkomst de kleding en uitrusting. Daar de ‘staande’ regimenten voorrang hadden bij de verstrekking, werd aan Reserve- en Landwehreenheden ook nog vaak uit oude voorraden verstrekt. Dat betrof dan in de regel gezwarte uitrusting uit de periode voor 1912. Voornamelijk zijn dat dan patroontassen en bajonetschedes. Deze afwijking is dan ook bij RIR119 niet ongebruikelijk geweest en wordt dan ook door de groep getoond.
Ongetwijfeld zullen er gevallen zijn geweest dat het leerwerk niet gezwart werd. Dat zijn echter uitzonderingen die RIR119 niet wil laten zien. In een 1917-setting lopen er dus geen soldaten rond met bruine patroontassen o.i.d.

Aan de koppel.

De koppel.
De koppel is van leer met een koperen sluiting, na voorjaar 1915 een metalen (ijzeren) sluiting. De buitenzijde van de koppel is ruw, de gladde zijde bevindt zich dus naar het lichaam. De koppel wordt gesloten middels een koppelslot, in geval van RIR119 met Württemberger embleem.
Eisen: glad leer binnenzijde, ruwe zijde buiten, geen gestanste sluiting! Het vroege model had een koperen sluitbeugel, de latere modellen een ijzeren van een matte ijzerkleur.

Patroontassen M.1909

De patroontassen zijn ingericht voor het dragen van vier clips Mausermunitie. Van de onderste knoppen is de middelste afwijkend van vorm. De tassen zijn veelal genaaid i.p.v. geniet. Deze tassen waren de meest voorkomende bij de Duitse soldaat.
N.B.: Wehrmachttassen niet toegestaan!

Patroontassen M.1895
Deze patroontassen zijn ingericht voor het dragen van drie pakjes patronen, met elk drie clips patronen. De tas heeft de vorm van een blok. De klep opent van het lichaam af en wordt gesloten middels twee leren strips aan de zijkanten. De tas is gemaakt van gezwart leer. Vooral bij Reserve- en Landwehreenheden te vinden.

De broodzak.
De broodzak in de vredesperiode was van lichtbruin/roodbruin zeildoek gemaakt en werd met twee lussen aan de koppel gedragen. Bij de linkerlus bevindt zich een metalen D-ring ten behoeve van het aanhaken van veldfles en drinkbeker.
De draagriem van de broodtas werd gebruikt om de patroontassen op te houden. Indien de tornister werd gedragen werd deze riem in de broodzak geborgen.
Vanaf het uitbreken van de oorlog werd de broodzak in een grijs-grauwe kleur gemaakt, de bruine (vredes-)broodzak werd niet meer uitgereikt.
Bij de groep RIR119 zijn beide kleuren toegestaan.



De veldfles M.1898/M.1909/M.1915
De veldflessen M.1898 en M.1915 zijn ongeveer gelijkvormig met dien verstande dat de veldfles M.1915 een bredere mond heeft. Daarnaast is de M.1915 niet van aluminium maar van ge-emailleerd ijzerblik gemaakt. Beide flessen worden gedicht met een kurk waarop een metalen hoedje zit. Het 1915-model heeft vaak een corduroy bekleding en heeft slechts een draagriempje rond de hals.
De M.1909 is een veldfles met schroefdop en nagenoeg zonder hals. De veldfles kent een leren kraagje waaraan de draaghaak zit en een riem aan voor- en achterzijde die op de bodem van de fles aansluiten op een metalen opstaande knop. De fles moest vanwege z’n materiaal (aluminium) in 1915 ingeleverd worden en werd vervangen door de M.1915.
Vanaf de zomer van 1917 kreeg elke soldaat twee veldflessen.
De flessen zijn goed verkrijgbaar. Latere modellen (met hals en schroefdop) niet toegestaan.


Feldflasche M.1915

Drinkbekers
Er bestaan twee typen: het aluminium drinkbekertje met inklapbare handvatten en een ijzer-ge-emailleerde drinkbeker met een 'vast' oortje. Beiden bevatten ongeveer een kwart liter. Het aluminium bekertje werd halverwege 1915 ingeleverd (aluminium!) en vervangen door het ijzerblikken exemplaar.
Beide exemplaren zijn zowel in repro als origineel goed verkrijgbaar, de prijzen lopen nauwelijks uiteen.


Becher M.1915


 

 

De bajonet/Seitengewehr

Bij de Reserve werden veel modellen bajonetten uitgegeven. In principe zijn veel modellen dus correct zolang ze op het meegevoerde wapen passen.
De ge-eigende bajonet voor de Mauser in 1914 was de 98, de Federbajonett. Lang en smal en moeilijk te vinden. Makkelijker te vinden is de zg. Ersatzbajonet, een stevige, geheel uit metaal vervaardigde bajonet in stalen schede. Ook de 84/98 (modell I) was vrij algemeen. Grote populariteit verkreeg de 98/05, bijgenaamd ‘butcher’, van oorsprong een artilleriebajonet.
Waren schedes in het begin nog van leer, snel werd dat metaal. In eerste instantie nog zwartgelakt, halverwege de oorlog steeds vaker feldgrau.
Let bij keuze van je bajonet op de originaliteit. Op de rug van het lemmet staan over het algemeen een gekroonde letter en de laatste twee cijfers van het jaar van aanmaak. Bajonetten met een WaA-nummer (WO-II) zijn niet toegestaan.

Troddel (Sabelkwast)
Een kleurige kwast aan een katoenen band. RIR119 beeldt de tweede compagnie uit, neem dus een troddel van deze compagnie: rood-wit-rood. Let er op dat de band niet van keperstof mag zijn!
Latere troddels, vanaf ongeveer zomer 1915, werden vervaardigd uit restmaterialen. De band was groengrijs, evenals de haren van de kwast. De troddel was tot in 1917 verplicht, daarna kwam de aanwijzing: "wie er eentje heeft moet 'm dragen, wie er niet een heeft, tja...".

Troddel 2. Kompanie

Vecht- en loopgraafmessen
Per compagnie was in een klein aantal Naehkampfmesser voorzien. Al snel zorgde elke soldaat dat hij, particulier aangeschaft, een dergelijk wapen bij zich had. Algemeen verkrijgbaar waren de Gottlieb Hammersfar-messen en de kleine DEMAG-vuistbajonet. In replica goed verkrijgbaar en toegestaan vanaf de zomer van 1915. Ook verkorte bajonetten van allerlei slag waren te vinden bij de manschappen.


Vechtmes uit een 'verbouwde' bajonet

Pioniersgereedschap

Veldschep met drager
Aan de Reserve werden alle op dat moment voorhanden zijnde veldschepjes uitgereikt zoals die vanaf 1889 in gebruik waren. Ze werden gedragen in een leren foudraal met twee lussen, om aan de koppel te hangen. De schede van de bajonet werd door de gevestriem gestoken terwijl de bajonetdrager met de lus tussen de twee lussen van de veldschepdrager zat.

Bijlpik in drager
Per infanteriegroep was een man uitgerust met een bijlpik i.p.v. een veldschop. De leren drager werd op dezelfde wijze en plaats gedragen als de veldschop. De schede van de bajonet wordt dan door de lus van de bijlpikdrager gestoken.


 

Schuhzeug

Elke soldaat kreeg uitgereikt, tot aan het einde van de oorlog toe, een paar Marschstiefel (laarzen) en een paar Schnurschühe (veterschoenen). De laarzen waren voorgeschreven voor de dienst te velde maar al snel kwamen de mannen erachter dat de veterschoenen prettiger dragen waren, in combinatie met Gamaschen (beenwindsels). Hoewel voor de algemene infanterist de veterschoenen niet toegestaan waren werd het algemeen gedoogd.
Bij RIR119 streven we ernaar vooral in 1914-1915 de laarzen te dragen.

Marschstiefel
De laarzen zijn ongeveer 35 cm hoog en beslagen. Tot oktober 1915 hadden ze een natuurlijke leerkleur (bruin), daarna werden ze gezwart.
Opvallend is de zijnaad (Seitennaht) van de laars. Ook is de laars aan de buitenzijde ruw, de gladde zijde van het leer bevindt zich aan de binnenkant. Er zijn goede replica’s op de markt.
Onderhoud: de laars goed in het vet zetten, bij voorkeur Dubbin. Dit bij gebruik dagelijks doen.

Schnurschühe
De veterschoen zoals overal te zien kwam in feite pas eind 1914/begin 1915 bij de troep. De schoen die vóór die tijd in gebruik was had een sluiting met veters aan de zijkant van de schacht. De schoen was van ongeverfd (bruin) leer, ruwe buitenzijde.
De schoen die daarna kwam sloot met een leren veter op de wreef en was in beginsel onbeslagen. Pas eind 1915/begin 1916 werd de schoen zoals de laars met nagels beslagen.
Buiten de dienst werd de schoen zonder Gamaschen gedragen, te velde werd de broek en bovenzijde van de schoen ingebonden met beenwindsels.

Gamaschen

De beenwindsels bestaan uit twee repen stof, ongeveer 10 cm hoog en ongeveer 2,70 m lang. De verstrekte Gamaschen hadden een bindstrip van Tuch met een aparte koperen sluiting (zg. BH-sluiting). Het windsel had een haakje waarmee het achter de schoen werd gehaakt voordat het windsel omhoog afgewikkeld werd. Met de bindstrip werd het windsel vastgezet.
Vanwege de schaarste aan Gamaschen was een veelvoud van kleuren te zien aan het front, met bindstrippen van Tuch maar ook vaak van keperband.
Beenwindsels zijn voor een klein bedrag goed verkrijgbaar.

      
replica en bruikbaar                        origineel met gespen en haken

Kopfschütz

Lederhelm mit Spitze
In de volksmond aangeduid met ‘Pickelhaube’. Het model wat uitgereikt werd was de M.1895. Een gladde, zwarte leren helm met een embleem (‘Zierat’) van het ‘Kontigent’ waar de soldaat dienst deed, bij RIR119 dus van Württemberg.
Tot eind 1914 had de helm een overtrek met rode, en snel daarna groene letters en cijfers van ongeveer 5 cm hoogte. In het geval van RIR119: een ‘R’ met daaronder het getal ‘119’. Deze aanduiding verviel officieel pas in april 1915 maar werd in de praktijk al veel sneller verwijderd.
Wat ook in het voorjaar werd verwijderd was de spits van de helm. De nieuw verschenen helmen hadden dan ook een spits die middels een bajonetsluiting verwijderbaar was.
Hoewel de Stahlhelm al vanaf november 1915 z’n intrede deed, bleef de Lederhelme tot in 1918 in gebruik, met name bij troepen die niet in de voorste lijn vochten. De helmen verschenen in vilt, in blik en zelfs in papier-maché vanwege de tekorten aan leer.

Stahlhelm
De ‘Stahlschützhelm’ zoals hij officieel heette was in het najaar van 1915 in Berlijn ontwikkeld en werd uit chroomnikkel vervaardigd. Het gemiddelde gewicht was 1200 gram. De helm kwam in 5 maten: 60, 62, 64, 66 en 68. De eerste vier maten waren ook in de helmschaal gestempeld.
De eerste helm had een binnenwerk met een leren bevestigingsband, die met drie nieten aan de schaal was bevestigd. De stormriem was bevestigd aan twee bouten (‘Knopf 91’) aan de binnenzijde van de helm. Dit type staat bekend als M.16. In begin 1917 werd deze leren band vervangen door een blikken band: de M.17. De volgende ontwikkeling was in de zomer van 1918, toen het helmdraagbandje werd gewijzigd en vastgezet aan het binnenwerk: de M.18.
Ook in de zomer van 1918 kwam de typische camouflagepatroon in zwang voor de helm (en wat overige wapens en uitrustingsstukken), de zg. ‘Mimikri’.
De 26. Reserve Division, waar RIR119 deel van uitmaakte, had bij aanvang van de slag aan de Somme (01/07/1916) voor de meeste frontsoldaten een stalen helm, maar niet voor iedereen! Het zou nog tot voorjaar 1918 duren voordat alle gevechts- en gevechtsondersteunende eenheden beschikten over de stalen helm.
Aanschaffen van een helm: zorg dat je een goede maat helm krijgt. Alle replica’s zijn altijd de grootste maat (68) en bovendien zichtbaar anders dan de originelen. Zorg voor een originele schaal (voor de meeste mensen is maat 64 of 66 goed) en koop een M.16 binnenwerkje. Daar kun je de hele oorlog mee doen.
Daar de mimikri camouflage maar een heel klein deel van de oorlog te zien was wordt dat niet gevoerd in de groep RIR119.

Stirnpanzer
Dit was een extra plaat die, steunend op de ‘hoorntjes’ van de helm, extra bescherming bood aan de soldaat. Daar het ding nogal lomp was en de drager ernstig belemmerde, werd het eigenlijk alleen gebruikt voor wachtposten. In deze rol ook toegestaan bij RIR119.

Gaedehelm
De Gaedehelm, eigenlijk meer een koppantser, was op eigen initiatief ontwikkeld bij het 5e leger in de Vogezen. Er werden zo’n 1500 stuks gemaakt die na een paar maanden werden ingenomen en omgesmolten. Er bestaan replica’s van, maar binnen de groep RIR119 wordt hier niets mee gedaan.

 


 

 

Gasschützmitteln

In april 1915 kwam de eerste grote aanval met strijdgas af in België. Naarstig zochten alle partijen naar persoonlijke beschermingsmaatregelen. Na wat experimenteren met dotten watten, brilletjes en dat soort middelen, kwam in het najaar van 1915 het eerste echte gasmasker bij de troep. Het bestond uit een luchtdicht gelaatstuk met een filterbus. Het werd meegevoerd in een draagzak aan de koppel. Niet veel later ontstond een blikken bus, waarin het masker direct grijpbaar was voor de gebruiker. Dit systeem is verder ontwikkeld.

Gasmaske und Bereitschaftsbüchse
Het eerste gasmasker was gemaakt van rubbercanvas met twee ingestanste oogglazen en een filterbus. Het werd met banden op het hoofd gedragen en bleef tot vroeg 1917 in gebruik. In 1915 nog gedragen in een draagzak aan de koppel (midden achter op de rug), al snel kwam de zg. Bereitschaftsbüchse in zwang. Dit blik werd aan een band (soms leer, veel vaker van canvas, uiteindelijk van papiergarn) om de nek gedragen.
Het volgende model was gemaakt van zacht leer (Ledermaske 1917). Deze kreeg ook een ander filter, dat ingericht was tot bescherming tegen meerdere soorten gas. De Bereitschaftsbüchse veranderde mee, er kwam een beugel aan om het te sluiten. Tot dan toe gebeurde dat middels eenvoudig ‘klemmen’ van het deksel.
De laatste ontwikkeling was het masker 1918 die ook in een verhoogde bus werd meegevoerd.
Gasmaskers worden alleen door Schipperfabrik gereproduceerd (eerste model). Bereitschaftsbüchse zijn in repro goed verkrijgbaar, overigens altijd het tweede model met beugel. De groep RIR119 draagt deze bij voorstellingen vanaf herfst 1915. Draagriemen (niet of zelden te koop) worden in de groep zelf gemaakt. Het meevoeren van een Bereitschaftsbuechse is verplicht, het gasmasker zelf niet maar het is wel mooi om aan het publiek te tonen!
Voor voorstellingen vanaf zomer 1915 tot eind 1916 wordt het dragen van de draagtas aan de koppel aanbevolen.

in ontwikkeling

 


 

 

Kleine zaken

Elke soldaat draagt, verplicht of uit eigen wil, wat kleine zaken met zich mee. Hierbij een greep uit wat je mee zou moeten/kunnen voeren aan ‘accesoires’.

Erkennungsmarke (Herkenningsplaatje)
Eigenlijk verplicht. Een klein plaatje, ovaal, aan een touwtje met daarop je regimentsnummer en je stamboeknummer. Weinig handig bij de identificatie, vandaar dat vanaf voorjaar 1915 een nieuwe plaat werd uitgereikt. Dit eivormige plaatje met een breukrand overdwars vermelde de naam, adres, regiment- en kompaniesnummer, stamboeknummer en geboortedatum van de drager. Later, in 1916, werd de breukrand vervangen door insnijdingen.
Het vroege en het laatste model is in repro goed verkrijgbaar. Te dragen aan een katoenen koord, bij voorkeur in de kleuren van het Koninkrijk Württemberg (rood-zwart).

 

Brustbeutel
Een leren etuitje, aan een touwtje om de nek. Hierin zat vaak het herkenningsplaatje, maar ook (bij de wat grotere exemplaren), de soldbuch. En wat kleingeld, op verkoopsites in Duitsland goed verkrijgbaar.

     
vooroorlogs model                     model 1915                     later model v.a. 1915

Taschenmesser (zakmes)
Vrijwel elke soldaat nam een mes van huis mee. Vaak zorgden de eenheden zelf dat hun soldaten een zakmes kregen. Heel populair was het MERCATOR zakmes, onveranderd nog steeds te koop in Duitsland. Opletten: geen roestvrijstalen messen kopen!

Soldbuch
Het militair paspoort, waarin tevens aantekeningen werden gemaakt van meegemaakte slagen, verkregen onderscheidingen, gewond-zijn en opnames in hospitalen. Daarnaast zaten hierin de coupons waarop (voorschotten op) de wedde kon worden geïnd.
Ook vaak in repro te koop is de Militärpass. Dit echter is een document dat de soldaat kreeg als hij de dienst verliet. Voor RIR119 dus niet van toepassing.
De groep RIR119 voorziet haar deelnemers van dit Soldbuch.

   

Rokerij, aanstekers, lucifers etc.
Van de honderd soldaten in ’14-’18 rookten er 120. Pijp en sigaar waren heel populair bij de Duitse soldaat. Als je er aan kunt komen (en je rookt), zorg dan dat je een lange pijp koopt.
Tabak werd vaak meegevoerd in leren buidels. Nog steeds goed verkrijgbaar. Daarnaast verstrekte het leger tabak, niet het beste soort maar goed rookbaar. Replica’s van dit soort tabakspakjes zijn in de groep voor handen.
Ook een doosje lucifers kan met weinig moeite ‘omgebouwd’ worden naar een exemplaar uit de tijd. Op het internet zijn voldoende voorbeelden van etiketjes te vinden.
Aanstekers in die tijd waren vaak van het type ‘lontaansteker’. Replica’s maar ook originelen zijn goed te vinden.

Eten en drinken.
Direct achter het front waren mobiele veldkeukens te vinden die ervoor zorgden dat de soldaat zijn natje en droogje in de stelling kreeg opgevoerd. Dit gebeurde in gamellen, waarna de soldaat zijn hap kon ophalen in z’n Essgeschirr. Broden werden gebakken in mobiele veldkeukens.
Daarnaast beschikte de soldaat over een rantsoen. Meestal goulash in blik (ronde blikken ter grootte van een bierviltje, ongeveer 6-8 cm hoog), groenten in blik, een blikje koffie, een zakje zout, een zak met beschuit/kaakjes (in Duits een ‘Zwiebackbeutel’ genoemd en bestemd voor kaakjes of ‘Hartkecks’). Al deze zaken waren terug te vinden in de Tornister. Ook kreeg hij post van huis waarin ook wel eens eetbare zaken zaten: kaas, worst, snoepgoed e.d.

Toiletartikelen.
Zeep en handdoek, tandenborstel, tandpoeder en scheergerei. Dát is het ongeveer. Originele zeep is goed verkrijgbaar (er bestaat een verzamelaarmarkt voor en een blok ‘Reine Kernseife’ is niet duur en gelijkend aan de toenmalige blokken zeep). Handdoeken waren klein in verhouding met nu en gemaakt van katoen, ze waren vuilwittig van kleur (en niet van badstof!).
Verdiep je in de scheerwereld! Krabbertjes bestonden toen wel maar het klapmes was meer algemeen! Scheerkwast erbij! En zeep natuurlijk! Scheerzeep in staven is nog steeds te koop bij de drogisterij. Eén en ander is niet verplicht, maar het draagt wel bij tot je presentatie!

 


 

 

Tornister, algemeen.

In feite is dit de ransel. Tot eind 1914 gewoonlijk uitgevoerd in kalfsvel met haar, daarna veel vaker alleen in zeildoek (waarbij het rugpand echter nog steeds een harig stuk leer bleef). Bij tekort aan Tornister werden er Rücksäcke verstrekt, dit echter zelden aan de infanterie. Bij RIR119 houden we vast aan de Tornister.

 


Buitenzijde Tornister:

Mantel en Zeltbahn (tentzeil)
Beiden werden over de Tornister gelegd en vastgebonden met mantelriemen. Eerst de mantel en daaroverheen de Zeltbahn. In de groep leer je hoe je dit moet vouwen.
Vanaf 1915 werd de Mantel over de Zeltbahn gelegd i.v.m. camouflagedoeleinden.

Essgeschirr (Eetketel)
Een eetketel met deksel en vaste steel. Tot 1908 hardnekkig ‘Kochgeschirr’ genoemd omdat de soldaat geacht werd hiermee ook te kunnen koken. Met invoering van de veldkeukens kwam hieraan een eind.
De vroege exemplaren zijn uit aluminium en zwartgelakt, de latere exemplaren (vanaf 1915) uit ijzerblik, feldgrau geëmailleerd. De ketel wordt op de klep van de Tornister meegevoerd, vastgesnoerd met twee riemen.
In de ketel bevindt zich een ‘voetje’ aan de bovenrand, bedoeld voor het inklemmen van de
Göffel (Gabel/Löffel) (gecombineerde lepel/vork), een lepel en vork die middels een nagel in de stelen aan elkaar zijn verbonden. Bijna een halve eeuw in gebruik geweest in het Duitse leger. De Göffel werd ook vaak los in de zak meegevoerd. Het eetgereedschapje is in replica en origineel goed te vinden.
In de ketel wordt tevens meegevoerd: toiletartikelen, munitie, voedsel (de laatste twee bij aanvallend gevecht als in plaats van een Tornister de ‘Sturmgepäck’ wordt meegevoerd).

Inhoud Tornister:

Als de Tornister op de riemen wordt gelegd en geopend kijk je in de kast en tegen de binnenzijde van de klep.
Aan die binnenzijde zit een zak, de Wäschebeutel. Hierin ging toiletartikelen, ondergoed, gewassen goed etc. De oudere Tornister hebben tevens links en rechts van de Wäschebeutel ingenaaide, met een klepje afsluitbare vakjes zitten. Hierin ging per vakje een doosje geweerpatronen.
Tussen kast en Wäschebeutel bevindt zich de langwerpige zak waarin drie tentstokken en drie haringen zitten, samen met een lange scheerlijn. De zak wordt met de twee vaste riempjes door de leren ogen van de Tornister vastgemaakt.
In de kast: allereerst een schoon hemd, daarop het paar Schnurschühe, aan de buitenzijden van de kast met de hakken naar de kijker gericht. Sokken (evt. voetlappen) in de schoenen steken. Daartussen schoen- en kledingonderhoudsmiddelen, conservenblikken, Zwiebackbeutel, koffieblikje etc. Ook de wapenonderhoudsmiddelen vinden hier hun plaats.
Als de kast gevuld is wordt als laatste het Krätzchen erop gelegd, samen met een gezangboekje. Dan worden de flappen gesloten, de Tornister dichtgeslagen en met twee riemen aan de onderzijde vastgesnoerd.
Tornister zijn over het algemeen goed verkrijgbaar, zorg wel dat het een WO-1 exemplaar is. Er zijn veel Tornister uit de WO-II periode te koop, die zijn echt anders! Let erop dat het riemenwerk compleet is en dat de Tornister draagbaar is.



Wapens en munitie

Wapens zoals bajonetten, geweren maar ook (dummy)munitie zijn gebonden aan regelgeving. Een onklaargemaakt wapen (zg. Deko-wapen) is voor de wet vrijgesteld en daarmee gelijkgesteld aan categorie IV in de wapenwet. Bajonetten en gedeactiveerde munitie staan in dezelfde cat. IV. Dat houdt in dat je de wapens wel voorhanden mag hebben (indien je 18 jaar of ouder bent) maar niet mag dragen ofwel: in het openbaar zichtbaar voor iedereen mag meevoeren. En let op: een bajonet in je dashboardkastje van de auto is voor de wet hetzelfde als dragen!
Lees de veiligheidsregels VHM goed door ten aanzien van wapens!

Das Gewehr.

Bij de Reserve was het streven iedereen uit te rusten met het Gewehr 98, een Mauser. Lengte ongeveer 1,26 m, kaliber 7,9 x 57(IS). Dit streven lukte niet helemaal, vandaar dat het wat oudere Gewehr 88, een Steyr, ook uitgereikt werd, overigens wel in hetzelfde kaliber als de Mauser.
Beide wapens kenden dezelfde draagriem, die in repro goed verkrijgbaar was.
Let op bij de aanschaf van de Mauser dat je een WO-1 exemplaar koopt. Jaar van bouw staat op de zijkant van het wapen ingeslagen. Mausers uit WO-II hebben een zg. WaA-nummer waarbij de cijfers staan voor het jaar van aanmaak. Deze wapens zijn in de groep niet toegestaan.

Gedeactiveerde munitie

Vreemd genoeg spreekt de wet wapens en munitie hier niet over. Het veiligst is de ‘oude’ regelgeving aan te houden: slaghoedje verwijderd en een gat in het hulslichaam.
De Duitse soldaat droeg aardig wat munitie bij zich. De patronen zaten per drie strips van vijf patronen in een kartonnen pakje. Voor en vroeg in de oorlog droeg dat bruinkartonnen pakje een blauw etiket met soortaanduiding, maker van de munitie, jaar van aanmaak etc. Later in de oorlog werd dit blauwe etiket vervangen door een klein wit etiketje op de kop van het doosje, met ongeveer dezelfde informatie. Alles natuurlijk in het gangbare lettertype “Normal-Fraktur”.
In de Tornister: 2 doosjes patronen.
In de patroontassen: vier strips van 20 patronen per tas, in totaal dus zes x twintig patronen is 120 patronen. Daarnaast had de soldaat, vooral na invoering van de Bluse M.15 nog veel munitie los in de zakken zitten.
Binnen de groep streven we ernaar de patroontassen (deels) gevuld te hebben. Gedeactiveerde Mausermunitie is met name op de Duitse verkoopsites voor wapens goed verkrijgbaar.